Ontworming

Parasitaire infecties bij paarden komen veelvuldig voor. We moeten er steeds van uitgaan dat een paard zonder parasieten eigenlijk niet bestaat. Gezien de manier waarop paarden tegenwoordig gehouden worden (vaak kleine “overbegraasde” weiden) is het zo goed als onmogelijk om een paard wormvrij te krijgen. Wat wel kan is de infectiedruk verlagen door regelmatig te ontwormen en een correct management te hanteren.

Welke wormen vinden we bij paarden?

Deze wormen worden ook wel bloedwormen genoemd omdat de larven van de Cyathostominae rood gekleurd zijn, waardoor ze makkelijk opvallen in de mest.


Cyclus
De larven worden opgenomen vanuit de omgeving en komen in de dikke darm terecht. Daar dringen ze in het slijmvlies waar ze verder ontwikkelen;
Die verdere ontwikkeling duurt in totaal ongeveer 3 weken, maar de wormen zijn in staat om hun ontwikkeling tijdelijk stil te zetten. Dat wordt hypobiose genoemd en zorgt ervoor dat de wormen in een gunstige periode van het jaar volwassen worden. Wanneer de larven bijna volwassen zijn breken ze door de darmwand heen om weer in het darmkanaal te komen. Het massaal door de darmwand trekken van de (bijna) volwassen worm kan grote schade veroorzaken. Eenmaal terug in het darmkanaal van het paard worden de wormen volwassen en beginnen eitjes te produceren. De eitjes komen met de mest naar buiten en komen zo weer op de wei terecht.


Symptomen

Als gevolg van het inkapselen van de larven wordt er onderscheid gemaakt in 2 uitingsvormen van cyathostominose.

De algemene vorm wordt veroorzaakt door ontwikkelende larven, maar vooral door grote aantallen volwassen wormen. Dit wordt vooral in het najaar gezien, maar kan het hele jaar optreden. Deze vorm geeft meestal vage klachten als: conditieverlies, vermageren, diarree , een doffe vacht,…

Belangrijker is de zogenaamde 'wintercyathostominosis' die vooral voorkomt in de winter en het voorjaar. Hierbij komen de ingenestelde larven opeens massaal vrij uit de darmwand en veroorzaken zo een acute darmontsteking. Dat kunnen larven zijn die de voorgaande zomer zijn opgenomen, maar ze kunnen ook vele jaren in de darmwand hebben gezeten. Dit leidt tot diarree, oedeem, koorts en vermageren. Door de grote beschadiging van het darmoppervlak is de diarree (waterig) en het vermageren ernstiger (waterig). Dit wordt vooral gezien bij jonge paarden van 1 of 2 jaar oud. In erge gevallen kan het paard veel bloed en eiwitten verliezen door de schade aan de darm, waardoor bloedarmoede kan ontstaan. Ook is een bijkomende infectie met salmonella mogelijk. Als er niet op tijd ingegrepen wordt kan er sterfte optreden.

Een bijkomend probleem is dat mestonderzoek vaak negatief is vooraleer de larven vrijkomen aangezien ze in de darm ingekapseld zitten.

Behandeling bestaat uit ontwormen en symptomatische therapie. De larven die in winterslaap zijn zijn ongevoelig voor de meeste ontwormingsmiddelen. Equest (Moxidectine) is het enige middel dat werkt tegen deze geëncysteerde larven. Bij jonge dieren (onder de 4 maanden) mag dit product niet worden gebruikt
 

Voorkomen
Deze kleine rode wormen zijn veruit de belangrijkste parasitaire aandoening bij paarden. Dit mede doordat de meeste ontwormingsmiddelen niet werken tegen de geëncysteerde larven. Ze kunnen in grote aantallen aanwezig zijn in het colon. 

Cyclus
Hierbij spelen mijten een belangrijke rol als tussengastheer. De eitjes van de lintwormen worden opgegeten door mosmijten die op het gras leven. Eitjes ontwikkelen zich in eerste instantie in deze mijten maar groeien pas volledig uit wanneer de mijten bij het grazen door het paard opgenomen worden. De volwassen lintwormen vinden we voornamelijk terug op de overgang van dunne naar blinde darm

Symptomen
Bij lichte infecties kunnen we aannemen dat deze worm weinig kwaad doet. Het probleem doet zich voornamelijk voor bij zwaardere infecties aangezien die de darmmotiliteit kunnen beïnvloeden. Dit kan koliek veroorzaken. Typisch hierbij zijn invaginaties (instulping van stuk darm in een ander stukdarm) . Er zijn specfieke producten tegen lintwormen ter behndeling (zien verder)

Voorkomen
Deze lintworm vinden we vooral terug op het einde van de dunne darm of begin van de dikke darm. Zowel jonge als oudere paarden kunnen zich besmetten (vnl. late zomer). 

Cyclus
De wormeitjes worden opgenomen vanuit de omgeving (weide of op stal) waarna de zich ontwikkelende larven door het lichaam trekken. Vanuit de darm gaan ze naar de lever en de longen. Vervolgens worden ze opgehoest en doorgeslikt en komen zo terug in de dunne darm waar ze volwassen worden en eitjes uitscheiden.
 

Symptomen
Veulens (tot 2 jaar) kunnen ademhalingsproblemen (hoesten, neusvloei,...) hebben door de migrerende larven. Verder kunnen de algemene symptomen van een wormbesmetting aanwezig zijn zoals vertraagde groei, sufheid, vermageren, gezwollen buik en doffe vacht. De volwassen wormen kunnen bij een erge besmetting soms een obstipatie en dus koliek veroorzaken.

 Voorkomen
Deze grote (tot 50 cm) spoelworm komt frequent voor bij dieren jonger dan 1 jaar. Oudere dieren scheiden meestal geen eitjes uit omdat ze reeds immuun zijn geworden.
 

Cyclus
Besmetting treedt op via de huid of de melk. Zo zullen veulens zich voornamelijk op stal besmetten daar de eitjes die met de mest uitgescheiden worden zich snel ontwikkelen tot larven die de huid kunnen perforeren. Daarna trekken deze larven via de bloedbaan naar de longen om uiteindelijk terug in de dunne darm terecht te komen.
Ook door opname van larven in de melk kunnen veulens zich besmetten.

Symptomen
Soms zien we jeuk wanneer larven de huid binnendringen. Ook kunnen ademhalingssymptomen optreden door de migratie van larven doorheen de longen. De aanwezigheid van volwassen wormen in de darm kan leiden tot een ontsteking met diarree, vermageren en koliek tot gevolg.

Het is belangrijk zowel de merrie voor het veulenen als het veulen (vanaf 2 weken leeftijd!) te ontwormen. (producten: zie verder)

Voorkomen
Deze worm vinden we vooral terug bij veulens (< 6 maand). 

Cyclus
De volwassen wormen leven in de dikke darm. De vrouwelijke wormen kruipen naar het rectum om hun eitjes te leggen die blijven plakken rondom de anus. Na een tijdje vallen ze af en kunnen dan weer opgenomen worden door het paard.

Symptomen
Het afzetten van de eitjes veroorzaakt jeuk waardoor het paard de staart gaat schuren. Door het schuren worden de eitjes gemakkelijk verspreid.

Voorkomen
Deze wormen komen af en toe voor bij het paard. 

Cyclus
De horzels (grote en luidruchtige vliegen) fixeren hun eitjes aan de manen, staart en poten waarna ze opgelikt worden. De larven komen daarbij vrij en boren zich in het slijmvlies van de tong. Na een verblijf in de keel komen ze uiteindelijk in de maag terecht waar ze zich vasthechten. Na ongeveer 10 maand komen ze terug los en worden met de mest uitgescheiden om zich vervolgens te ontwikkelen tot horzels.

Symptomen
Enkel zware infecties veroorzaken symptomen zoals een ontsteking van de maag. Vaak kunnen zijn de symptomen onduidelijk en zien we wat geeuwen of eventueel een wat variërende eetlust.

De meeste ontwormingsproducten werken tegen deze worm.

Voorkomen
Deze horzels zien het vaakst tijdens droge en hete zomermaanden. 

Om een serieuze wormbesmetting tegen te gaan worden veel paarden op regelmatige tijdstippen ontwormd. Hiermee zou het probleem moeten opgelost zijn maar helaas is dit niet zo.

Te vaak ontwormen is niet goed, om meerdere redenen:
- Resistentie tegen bestaande wormmiddelen vormt een steeds groter probleem bij worminfecties. Wormen raken gewend aan het wormmiddel en worden immuun. Omdat er op korte termijn geen nieuwe wormmiddelen zullen verschijnen, is het aan te raden om voorzichtig om te springen met de werkzame middelen die er nu zijn.
- Milieubelastend: een groot deel van het wormmiddel wordt uitgescheiden met de ontlasting en komt zo terecht in de voedselkring. Ook gaat hierdoor de bodemgesteldheid achteruit.
- Geen opbouw eigen weerstand: wanneer een paard te vaak ontwormd wordt kan het zelf geen goede weerstand tegen wormen opbouwen. Juist doordat een paard een geringe hoeveelheid wormen in zijn darmen heeft bouwt hij deze weerstand op. Een paard dat continu wordt ontwormd bouwt deze weerstand niet op en is hierdoor zonder ontwormmiddelen vatbaarder voor ernstige besmetting dan paarden die deze weerstand wel hebben.

Door al bovenstaande redenen is er een groeiende trend om alleen te ontwormen na een mestonderzoek. De test die hiervoor gebruikt wordt is het vaststellen van het EPG (aantal eieren per gram mest). De EPG bepaling geeft een indicatie van het aantal volwassen wormen in uw paard(en) door het vaststellen van het aantal wormeieren in een mestmonster. Het geeft echter niet de totale wormbelasting van rond- en lintwormen aan, omdat de lintworm haar eitjes niet voortdurend uitscheidt. Het kan dus zijn dat er geen lintwormeieren worden aangetoond, terwijl er wel een lintwormbesmetting aanwezig is. Bovendien leggen de larven van wormen geen eieren. En juist deze larvale stadia van wormen zijn vaak het meest schadelijk (bijv. de ingekapselde kleine rode bloedwormlarven). Deze kunnen niet worden aangetoond in een mestmonster.

Waarom is mestonderzoek dan wel belangrijk?

  • Om een indicatie te verkrijgen van het besmettingsniveau van volwassen wormen bij uw paard(en) en om inzicht te krijgen in de verschillende wormsoorten die een rol spelen.
  • Om doelgericht te kunnen ontwormen. Dat houdt in dit geval in, dat alleen de paarden worden ontwormd die een significante besmetting hebben (meestal wordt een grens van >200 eieren per gram mest aangehouden).
  • Om te kijken of uw ontwormingsplan of schema werkt. Zo kan de EPG test vóór het ontwormen worden uitgevoerd en ná het ontwormen. Als aangetoond wordt dat de behandeling niet gewerkt heeft, kan er sprake zijn van resistentie tegen het wormmiddel dat u gebruikt heeft.

Welke parasieten kunnen worden vastgesteld door mestonderzoek?

Kleine rode bloedworm

Ja

Grote bloedworm

Ja

Spoelworm

Ja

Larven

Nee

Ingekapselde larven van de kleine rode bloedworm

Nee

Aarswormen of Oxyuri

Nee

Lintwormen

Nee

Horzellarven

Nee

 

Wanneer zou ik mestonderzoek moeten doen?

Geadviseerd wordt om de EPG bepaling in het voorjaar en tijdens de zomer uit te voeren. Op basis daarvan kan gekozen worden welk ontwormingsmiddel het meest geschikt is. Ook is het mogelijk dat de wormbelasting zo laag is, dat er niet ontwormd hoeft te worden. Dat laatste is zeer gunstig om resistentieontwikkeling tegen te gaan. Een EPG bepaling zou minstens één keer per jaar moeten worden uitgevoerd tijdens het weideseizoen. Hiermee kan beoordeeld worden of uw ontwormingsschema voldoende effectief is. Nieuwe paarden zouden in quarantaine gehouden moeten worden. Tijdens de quarantaineperiode kan een EPG bepaling uitgevoerd worden om de belasting vast te stellen. Zo weet u welke wormrisico’s u loopt.

  • In een mestonderzoek kunnen de ingekapselde larven van de kleine rode bloedworm niet worden aangetoond. Larven in dit stadium zijn echter het meest schadelijk voor uw paard. Paarden kunnen miljoenen ingekapselde larven hebben, maar een heel laag EPG laten zien (Dowdall et al. (2002) Veterinary Parasitology 106, 225-242)
  • Draadwormen (Oxyuris, of aarswormen) kunnen niet worden vastgesteld door middel van mestonderzoek, omdat ze gedurende hun levenscyclus niet voortdurend eieren leggen.
  • Lintwormen scheiden hun eitjes ook niet continu met de mest uit. Een negatief EPG, of een laag EPG, zegt dus niet per definitie dat er geen lintwormbesmetting is.
  • Horzellarven kunnen niet met mestonderzoek worden vastgesteld.

De EPG bepaling is slechts een momentopname en geeft een indicatie van het aantal volwa sen wormen die uw paard op dat moment belasten. Mestonderzoek is zeer nuttig, maar vormt niet het volledige antwoord.

 

Dit heeft voor-en nadelen. In de eerste plaats is controle van de (verse) mest op de aanwezigheid van wormeitjes of wormen zelf een goede manier om een besmetting met de meeste types wormen aan te tonen alsoook om de infectiedruk en de efficiëntie van ontwormen te kunnen evalueren.
Daarbij dienen we wel de bedenking te maken dat enkel de volwassen wormen eitjes produceren!
Verder bestaat ook nog de mogelijkheid om een bloedonderzoek te doen voor de diagnose van de kleine en grote strongyliden (bloedwormen). Hierbij wordt gekeken naar bepaalde eiwitten die stijgen of dalen.

Behandeling
Practisch gezien is het ontwormen van uw paard gemakkelijk met behulp van de verschillende doseringsspuiten die voorhanden zijn. Daarbij kunnen wij u de keuze bieden tussen:
• ivermectine (eqvalan, furexel, eraquell, noromectin)
-> eventueel gecombineerd met praziquantel (equimax, nu ook in een smakelijke tabletvorm)
• moxidectine (equest)
-> eventueel gecombineerd met praziquantel (equest pramox)
• pyrantel (strongid-P)

Echter in theorie is de behandeling/preventie veel moeilijker. Te weinig behandelen kan namelijk leiden tot ziekte, te veel behandelen werkt dan weer resistentie in de hand.
Tot op heden is in Nederland enkel resistentie beschreven van PARASCARIS tegenover ivermectines. Gelukkig reageert deze wormsoort wel goed op pyrantel.
Het verschil tussen ivermectine en moxidectine zit in hem de werkzaamheidsduur en de aanpak van de 'slapende' larven van de kleine bloedwormen. Enkel moxidectine heeft een bewezen effectiviteit tegenover deze larven.
Praziquantel is dan weer hét middel tegen lintwormen. 



Samengevat:

Ontworming is niet of slechts in beperkte mate nodig:
• Op bedrijven waar geen echte weidegang is en een strikte hygiëne gehanteerd wordt dwz het dagelijks verwijderen van de mest  uit de boxen en uitloop en minstens één maal per week vervangen van het strooisel en schoonmaken van de boxen.

• Op bedrijven met extensieve beweiding

• Als alle mest consequent tweemaal per week van de wei verwijderd kan worden. Het is echter verstandig dit te ondersteunen via faecesonderzoek.

Ontworming is wel nodig:

Op bedrijven met intensieve beweiding, vooral als er veulens en jaarlingen aanwezig zijn.
Een mestonderzoek wordt dan best gedaan een week voor het naar buiten gaan of bij paarden die het hele jaar buiten lopen begin maart en dit bij alle leeftjdscategoriën (veulens, jaarlingen, tweejarigen, driejarigen en volwassen paarden). Om kosten te besparen kunnen eventueel monsters per leeftijdscategorie onderzocht worden waarbij er wel zorg voor gedragen wordt dat van elk paard even veel faeces in het monster komt en dat het zeer goed gemengd wordt.

• Ontworm de individuele paarden met een EPG > 200 met het middel van keuze voor ze naar buiten gaan, of half maart als ze permanent buiten lopen. Dieren waarbij P. equorum gevonden wordt, worden ontwormd met een benzimidazole of met pyrantel. Zorg ervoor dat een deel van de volwassen paarden met lage EPG’s in ieder geval niet ont­wormd wordt.

• Doe na het verstrijken van de ERP(²) (zes weken voor pyrantel, acht weken voor ivermectine en twaalf weken voor moxidectine) na elke ontworming in voorjaar en zomer opnieuw faecesonderzoek van representatieve vertegenwoordigers van ontwormde leeftijdscategorien om te bepalen of opnieuw ontwormen nodig is.

• Bij paarden die niet ontwormd zijn, moet het faecesonderzoek na een maand worden herhaald. Hierbij gelden dezelfde criteria of dieren ontwormd moeten worden of niet (EPG>200). Bij paarden waarvan door eerder faecesonderzoek bekend is dat ze altijd zeer weinig eieren in de faeces uitscheiden is dit herhaalde faecesonderzoek niet nodig.

• Hanteer een goede weidehygiëne (tweemaal per week faeces verwijderen) of evasieve beweiding (elke twee tot drie weken risicopaarden verweiden naar een veilige wei). Dit is een wei waar dat weideseizoen nog niet eerder paarden hebben gelopen. Ook als het, zoals op bijna alle intensieve bedrijven, niet mogelijk is evasieve beweiding het hele weideseizoen vol te houden, scheelt het als zware infecties kunnen worden uitgesteld.

• Voor veulens zijn aparte aanbevelingen nodig tegen S.westeri en P. equorum. Dit houdt dus voornamelijk hygiënische maatregelen in voor P. equorum, het zoveel mogelijk mijden van weiden waar vorig jaar be­smette veulens of andere paarden gelopen hebben. Verder kan via regelmatig faecesonderzoek van veulens beneden de zes maanden, te beginnen circa veertien dagen na de geboorte (S. westeri) of boven de vier maanden (P. equorum) worden nagegaan of ontwormen zinvol is (S. westeri EPG > 2000; P equorum eieren aanwezig). Bedenk dat het zeer frequent blind behandelen met ivermectine van veulens geleid heeft tot de problemen met resistentie van P. equorum.


• Bij alle dieren die nieuw op het bedrijf komen, wordt best een mestonderzoek gedaan voor ze toegevoegd worden aan de dieren in de wei.


• Herkauwers (runderen of schapen) zijn minder kieskeurige eters dan paarden en zorgen voor een mooie gelijk afgegraasde weide. Het parallel begrazen met herkauwers doet eveneens de parasitaire infectiedruk dalen.

• Ontworm voor het juiste gewicht.
Dus onderschat het gewicht van je paard niet (liever een beetje over- dan ondergedoseerd)!


Toelichting:
EPG = eieren per gram faeces, dus de uitkomst van mestonderzoek
ERP = de tijd die het duurt vanaf het moment van ontwormen tot dat weer eieren in de faeces voorkomen in flinke aantallen