Vaccinatie

Het paardeninfluenzavirus veroorzaakt een acute infectie van het epitheel van de bovenste luchtwegen en van de longen. Typische symptomen zijn koorts, algemeen zwakke toestand, waterige neusvloei, keelpijn, anorexie en een droge hoest. Sterfte is eerder zelden en treedt meestal slechts op bij secundaire bacteriële infecties, maar de prestaties van sportpaarden kunnen gedurende weken tot zelfs maanden 
verminderd zijn. Voornamelijk jonge en oude paarden zijn het meest kwetsbaar voor deze ziekte. Verspreiding gebeurd door direct contact en uitgeademde lucht van besmette paarden. Voor paarden die deelnemen aan officiële wedstrijden verplicht het FEI halfjaarlijkse vaccinatie (rapel na 6maand + max. 21d. / vaccinatie minstens 7d. voor wedstrijd)
 
Vaccinatieschema:
 
Primovaccinatie (leeftijd min. 5-6 maanden): 2 x 1 dosis met 4 - 6 w interval
Revaccinatie: 5-6 maand na primovaccinatie, daarna jaarlijks of halfjaarlijks (officiële wedstrijden of verhoogd risico: vooral bij paarden die 
veel in contact komen met andere paarden).
 
Tetanus wordt veroorzaakt door het tetanospasmine, een exotoxine gevormd door Clostridium tetani, een bacterie. 
 
Deze aandoening wordt gekenmerkt door een tonische kramptoestand van de dwarsgestreepte spieren en wordt veroorzaakt door   Deze kiem 
kan wonden (bijvoorbeeld steekwonden) of de navel infecteren wanneer hier een anaeroob (zuurstofarm) milieu aanwezig is. Ze is niet 
invasief en haar vermeerdering beperkt zich tot de wonde. Hier wordt het tetanospasmine gevormd dat via de zenuwvezels en/of lymfe- en 
bloedvaten het centraal zenuwstelsel bereikt. Het toxine werkt in op het ruggenmerg en de hersenstam. Het blokkeert de vrijstelling van 
neurotransmittoren waardoor vooral de remmende neuronen geïnhibeerd worden. Hierdoor ontstaan de typische spierspasmen.
Eén van de eerste symptomen die op te merken zijn, is het verschijnen van het derde ooglid. Aangetaste dieren vertonen een stijve gang en de 
staart wordt vaak in een kramptoestand gedragen. De toestand van de paarden verslechtert snel, ze krijgen slikmoeilijkheden, kunnen niet 
meer staan en krijgen uiteindelijk ademhalingsmoeilijkheden. Paarden zijn veel gevoeliger voor tetanus dan de mens en een goede vaccinatie 
is dan ook noodzakelijk. Tetanus is (meestal) een wondinfectie en is dus niet overdraagbaar van het ene paard op het andere.
 
Vaccinatieschema:
 
Primovaccinatie (leeftijd min. 5-6 maanden): 2 x 1 dosis met 4 - 6 w interval
Revaccinatie: 5-6 maand na primovaccinatie, daarna jaarlijks 
Vaak wordt dit vaccin in combinatie met Influenza gegeven.
Het equine herpesvirus (type 1 en 4) vermeerdert primair in het ademhalingsstelsel. Dit veroorzaakt respiratoire stoornissen in de vorm van 
een kortdurende, niet ernstige verkoudheid met lichte koorts, hoesten en een waterige neusvloei.  
 
Voornamelijk bij EHV-1 wordt de primaire vermeerdering gevolgd door een uitgebreide celgeassocieerde viremie. Het virus bevindt zich in 
de witte bloedcellen en verspreidt zich naar diverse doelwitorganen, zoals de baarmoeder en het zenuwstelsel. Dit kan resulteren in abortus, 
neonatale sterfte en/of zenuwsymptomen (myelo-ecefalopathie). Hierbij zien we oa. een plotselinge ataxie (= spierzwakte van de achterhand) 
zonder voorafgaande ziekteverschijnselen. 
 
De verspreiding gebeurt door neusvloei en bij abortus door het vruchtwater.
 
Vaccinatieschema
 
Primovaccinatie (leeftijd min. 5-6 maanden): 2 x 1 dosis met 4 - 6 w interval
Revaccinatie: 5-6 maand na primovaccinatie, daarna halfjaarlijks
Merries: op de 5de, 7de en 9de maand van de dracht 
 
De bescherming tegen het optreden van abortus, neonatale sterfte of myelo-encefalopathie kan niet gegarandeerd worden, want 
een viremie ten gevolge van een EHV-1 (her-)infectie met verspreiding naar de doelwitorganen kan optreden ondanks de 
aanwezigheid van virus-neutraliserende antistoffen.     
 
Een complete bescherming tegen rhinopneumonie is dus niet mogelijk. Vaccinatie van paarden resulteert wel in een vermindering van de 
klinische symptomen na infectie. Het is ook aangetoond dat de verspreiding van het virus in een groep paarden sterk afneemt na vaccinatie. 
 
Om het beste resultaat te bekomen is het van belang dat alle paarden in een groep op een correcte manier en op regelmatige tijdstippen (om 
de 6 maand) worden gevaccineerd.

 

Het West-Nijlvirus is een arbovirus dat wordt overgedragen door muggen (Culex). Vogels zijn reservoir voor het virus, zij 
vertonen over het algemeen weinig symptomen, maar zijn hoogviremisch. Dit betekent dat een mug bij een bloedmaaltijd 
voldoende virus kan opnemen om dit bij een volgende maaltijd door te geven.  
 
De ziekte wordt door geïnfecteerde muggen verspreid, waaronder de tijgermug. Om een infectie vanuit het reservoir (vogels) over 
te brengen naar de accidentele gastheren (paard, mens, andere zoogdieren) zijn dus muggen nodig. Zoogdieren (voornamelijk 
paarden en mensen) zijn zogenaamde 'dead end hosts'. Zij vertonen vaker symptomen, maar zijn kortdurend en laag viremisch. 
 
Dit betekent dat een mug onvoldoende virus kan opnemen. De verspreiding van de ziekte kan dus niet via paarden en mensen
optreden.
 
Het virus kan met trekvogels in een nieuw gebied geïntroduceerd worden.
 
Symptomen na infectie worden voornamelijk bij het paard gezien, zij het slechts bij ongeveer 10 % van de geïnfecteerde paarden. 
Symptomen kunnen acuut of geleidelijk optreden. Men ziet symptomen van een voortschrijdende encefalomyelitis met 
spierzwakte, incoördinatie en ataxie, parese en paralyse van de achterhand en vervolgens van de vier benen, die uiteindelijk kan 
evolueren tot een fatale encefalitis. De incubatietijd bij paarden bedraagt 5 tot 15 dagen
Bij mensen worden naar schatting 20% van de besmette mensen effectief ziek. Meestal veroorzaakt de besmetting slechts 
beperkte symptomen zoals koorts, hoofdpijn, overgevoeligheid en opgezette lymfeklieren. Na enkele dagen verdwijnen 
deze spontaan zonder blijvende gevolgen. In een beperkt aantal gevallen kan het echter leiden tot een hersen- of 
hersenvliesontsteking. Meestal gaat het hier om mensen met een verzwakt afweersysteem.
 
Er is geen effectieve behandeling
 
Het West Nijl-virus komt vooral voor in landen als Zuid-Afrika, Israël (en het Midden-Oosten), India en de Verenigde Staten.
 
Het werd (voorlopig) nog nooit gesignaleerd in België. Vaccinatie is dus aan te raden als u met uw paard naar het buitenland gaat. Deze 
vaccinatie wordt ook verplicht door bepaalde verzekeringsmaatschappijen voor uw paard.
 
Vaccinatieschema:
 
Primovaccinatie (leeftijd min. 5-6 maanden): 2 x 1 dosis met 4 - 6 w interval
Revaccinatie: jaarlijks
Een virusziekte die levensgevaarlijk is voor alle warmbloedige dieren (inlusief de mens).
 
Het virus komt met het speeksel via een wond in het lichaam en verspreidt zich langs zenuwbanen in de hersenen, waarna het dier 
uiteindelijk sterft. Een hondsdolle vos kan een paard besmetten door een beet, maar de verspreiding van het virus loopt dood bij een 
geïnfecteerd paard (m.a.w. het paard kan niet zijn eigenaar besmetten) De verspreiding gebeurt via speeksel (bijtwonden) van vossen, dassen 
en andere roofdieren.
 
Preventie
 
Met bepaalde vaccins kan na een basis inenting één enkele vaccinatie een goede bescherming bieden gedurende 2 tot 3 jaar.
Droes (Streptococcus Equi)
Droes is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie
 
Streptococcus Equi. Droes kan voorkomen bij paarden van elke leeftijd, maar jonge paarden en paarden die veel in aanraking komen met 
andere paarden lopen het grootste risico.
 
De symptomen bestaan uit koorts, etterende neusvloei, opgezette etterende lymfeknopen (typisch submandibulair, maar kan ook in de 
luchtzakken en dus uitwendig niet zichtbaar!), ademhalingsmoeilijkheden door de opgezette lymfeknopen,...
 
Het sterfte percentage is laag, maar de dieren kunnen er maanden ziek van zijn.
Paarden die herstellen van de infectie kunnen drager blijven en de bacterie dus verspreiden, terwijl deze paarden er perfect gezond uitzien!
Droes zich snel verspreiden op een bedrijf door direct contact tussen paarden of door indirect contact, bijvoorbeeld door gezamenlijke drink- 
en voederbakken of via de mens.
 
 
 
Behandeling bestaat uit het laten rijpen en indien mogelijk openen vd abcessen. Het gebruik van antibiotica is controversieel, maar wordt 
afgeraden wanneer er reeds abcessen zijn en gebeurt dus meestal enkel in het beginstadium vd infectie.
 
De meeste paarden herstellen volledig. Er zijn echter wel complicaties mogelijk zoals "bastaarddroes". Dit wordt gekenmerkt door 
abcessen over het gehele lichaam. Paarden met " bastaarddroes" herstellen zelden volledig. 
Als een eerste geval van droes wordt vastgesteld in een bedrijf, lopen alle andere paarden in de stal een groot risico.
 
Het besmette paard moet dus van de andere paarden worden geïsoleerd en er mogen geen nieuwe paarden in de stal worden toegelaten. Alle 
andere paarden in de stal moeten nauwkeurig in de gaten worden gehouden om nieuwe gevallen van droes zo snel mogelijk vast te stellen 
(temperatuur meten, ...). Personen die in contact komen met de zieke paarden dienen maatregelen te nemen om overdracht tegen te gaan 
(andere kledij en schoeisel, ontsmetten handen, ...). Ook drink-en voederbakken en materiaal dient ontsmet te worden.
 
In de praktijk betekent dit dat de stal dient gesloten te worden voor minstens 4 tot 6 weken na herstel van het laatste geïnfecteerde paard. 
Helaas kan deze situatie soms maanden duren!
 
Er is een vaccin op de markt tegen droes (Equilis Strep E). Helaas heeft dit maar een korte werkingsduur. 
De vaccinatie kan worden toegepast bij paarden vanaf de leeftijd van vier maanden. 
Het vaccin wordt toegediend door injectie van een kleine dosis in de bovenlip. 
Bij de meeste paarden zal een zwelling van de bovenlip ontstaan, die verdwijnt binnen enkele dagen.  In het algemeen is deze niet pijnlijk en 
zal de eetlust en het gedrag niet worden beïnvloed. Sommige paarden kunnen een paar dagen het bit niet goed verdragen. 
 
Vaccinatieschema:
 
Basisvaccinatie: 2 vaccinaties met een interval van 4 weken
Daarna elke 3 maanden herhaling, maar bij een droesuitbraak tussen 3-6 maanden na de laatste vaccinatie, geeft een herhalingsvaccinatie een 
snel herstel van de immuniteit tegen droes. 
 
Uw dierenarts kan u adviseren welk vaccinatieschema geschikt is voor uw 
paard(en): 
 
Basisvaccinatie: twee vaccinaties met een interval van vier weken 
 
Herhalingsvaccinatie: 
 
• Vaccinatie om de 3 maanden 
• Bij een droesuitbraak tussen de 3 tot 6 maanden na de basisvaccinatie, geeft een herhalingsvaccinatie een snel herstel van de immuniteit 
tegen droes. 
 
Het wordt aanbevolen om alle paarden in een stal te vaccineren
 
Uit de onderzoeken bleek dat Equilis StrepE werkzaam is voor de actieve immunisatie van
paarden vanaf een leeftijd van 4 maanden tegen Streptococcus equi ter vermindering van de
klinische symptomen en het optreden van lymfeknoopabcessen. In de groep van met Equilis
StrepE behandelde paarden ontwikkelden minder paarden droessymptomen. Bij de paarden uit
deze groep traden tevens minder vaak abcessen op en bleken minder lymfeknopen aangetast
 
Alleen gezonde paarden die risico lopen op een infectie mogen worden ingeënt. Na vaccinatie
ontwikkelt zich binnen vier uur een zwellingsreactie op de injectieplaats en kan de injectieplaats
warm of pijnlijk worden. Deze reactie is op haar hoogtepunt op twee tot drie dagen na de
injectie, maar de zwelling mag niet groter zijn dan 3 cm bij 8 cm. De zwelling verdwijnt binnen
drie weken weer en heeft doorgaans geen effect op de eetlust van het paard en veroorzaakt ook
geen zichtbaar ongemak. In zeer zeldzame gevallen kan op de injectieplaats een abces en
uitscheiding optreden en kunnen de lymfeknopen in het hoofd opzetten. Dit kan gedurende
korte tijd pijnlijk zijn. Tevens kan het dier op de dag van de vaccinatie tot 2 °C verhoging
krijgen. In zeldzame gevallen kunnen verminderde eetlust, koorts en trillen worden
waargenomen. In zeer zeldzame gevallen kan neerslachtigheid optreden.
 
Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen door degene die
 
Schimmel (dermatofytose)
 
Schimmel infecties worden vaak vastgesteld in België vooral op plaatsen waar veel paarden worden samengebracht. Het is een lastige 
hardnekkige huidziekte die lang kan aanslepen. Ook de mens kan zich hiermee infecteren. (T. verrucosum en T. mentagrophytes)
De schimmel sporen kunnen tot 2 jaar in een droge stal overleven!!! Dus tref ook de nodige hygiënische maatregelen met name het reinigen 
en desinfecteren van de stallen en materialen. Vaccineren kan zowel preventief of genezend werken.
 
West-Nijlvirus
 
Het West-Nijlvirus is een vriusziekte die door muggen wordt overgedragen. Geinfecteerde vogels zijn de bron van de ziekte. Wanneer 
muggen een vogel bijten die het West-Nijlvirus draagt, raken ze ook geinfecteerd. Geinfecteerde muggen gevven het virus door wanneer ze 
vervolgens een mens, een paard of een ander dier bijten. De ziekte is niet besmettelijk dus een geinfecteerd paard kan geen andere dieren of 
mensen besmetten.
 
De overdracht van het West-Nijlvirus is seizoensgebonden en treedt voornamelijk op van juli tot en met oktober in overeenstemming met de 
kenmerkende piekactiviteit van muggen.
 
Wat zijn de symptomen?
Het paard kan hersenvliesontsteking ontwikkelen. De klinische verschijnselen van paarden die geinfecteerd zijn met het West-Nijlvirus 
kunnen lijken op die van andere paardenziektes en zo ook verward worden met andere neurologische ziektes.
 
Symptomen kunnen zich voordoen binnen 3 tot 15 dagen nadat het paard geinfecteerd is en omvatten:
 
 Koorts
 Verlies van eetlust
 Niet kunnen slikken
 Slechtziendheid
 Depressie of lethargie 
 Hoofd laten hangen of scheef houden
 Strompelen of struikelen
 Spierzwakte, stuiptrekkingen en typische trillingen van de spieren van het hoofd
 Gedeeltelijke verlamming
 Doelloos rondlopen
 Onvermogen om op te staan
 Convulsies
 Coma
 
Van de paarden die bezwijken aan de neurologische vorm van de ziekte sterft tussen de 20% en 57%.
 
Preventie
 
Muggen onder controle houden helpt de blootstelling van uw paard aan muggenbeten te verminderen en belemmert de verspreiding van het 
 
West-Nijlvirus.
 
 Houd paarden in de stal gedurende zonsopgang en zonsondergang
 Doe lampen uit om ‘s nachts geen muggen aan te trekken
 Ververs water bij voorkeur dagelijks
 Verwijder potentiele muggenbroedplaatsen zoals lege bakken of modderpoelen
 Gebruik een insectenwereld middel
 Vaccinatie

 

Het equine rotavirus is een belangrijke oorzaak van infectieuze diarree bij het veulen. Over het algemeen kent rotavirusdiarree een hoge 
morbiditeit maar een lage mortaliteit. Het virus tast de villi aan in de dunne darm met maldigestie, malabsorptie en diarree tot gevolg. Dit kan 
leiden tot ernstige dehydratatie en een verstoord elektrolietenevenwicht.
 
EQUIP ROTAVIRUS (Zoetis)
 
geïnac equine rotavirus, stam H2 (serotype G3 P12): 7,4 x 10exp6 tot 7,4 x 107exp7FAID50
Adjuv: olie
vaccin voor injectie im
Posologie:
Eq (drachtige merrie): 3 x 1 dosis (op 8, 9, 10 m dracht)
OOI-DOI: geen info
Wachttijd: 0 d
fles 10 x 1 dosis
R/
 

 

 
Deze aandoening wordt gekenmerkt door een tonische kramptoestand van de dwarsgestreepte spieren veroorzaakt door het 
tetanospasmine, een exotoxine gevormd door Clostridium tetani. Deze kiem kan wonden (bijvoorbeeld steekwonden) of de navel 
infecteren wanneer hier een anaeroob milieu aanwezig is. Ze is niet invasief en haar vermeerdering beperkt zich tot de wonde. 
Hier wordt het tetanospasmine gevormd dat via de zenuwvezels en/of lymfe- en bloedvaten het centraal zenuwstelsel bereikt. Het 
toxine werkt in op de ventrale hoorn van het ruggenmerg en ter hoogte van de hersenstam. Het blokkeert ter hoogte van de 
presynaptische zenuwuiteinden de vrijstelling van neurotransmittoren zoals glycine of gamma-aminoboterzuur. Hierdoor worden 
vooral de remmende neuronen geïnhibeerd. Door het blokkeren van de synapsen van deze remmende neuronen ontstaan de 
kenmerkende spierspasmen