Vaccineren en bestrijding van parasieten


Vaccineren en bestrijding van parasieten

Vaccineren

Na de geboorte hebben pups en kittens een onvoldoende ontwikkeld immuunsysteem en zijn bovendien nog nooit in contact met pathogenen geweest. Daardoor zijn deze jonge dieren erg gevoelig voor infecties en ziekte die door onder andere virussen worden veroorzaakt. Om de pups en kittens in de eerste levenweken tegen deze pathogenen te beschermen krijgen de jonge dieren via de melk antistoffen van hun moeder. Dit wordt ook wel de passieve maternale immuniteit genoemd. De sterkte en de beschermingsduur van deze passieve maternale immuniteit wordt door twee zaken bepaald, namelijk de hoeveelheid antistoffen die de moeder aan hun nakomelingen geeft en de infectiedruk in de omgeving:

De hoeveelheid antistoffen die de moeder aan hun nakomelingen geeft wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid antistoffen die in het bloed van de moeder aanwezig zijn, dit wordt ook wel de antistoftiter genoemd. Hoe meer antistoffen de moeder in haar bloed heeft, hoe meer antistoffen in haar melk aanwezig zullen zijn en hoe sterker en langduriger de pups via de moeder beschermd worden tegen allerhande pathogenen. De antistoftiter van de moeder wordt bepaald door de vaccinatiestatus van de moeder. Een goed gevaccineerde moeder zal haar nakomelingen voldoende bescherming gedurende een lange periode geven. Een niet of slecht gevaccineerde moeder zal een laag antistoftiter hebben waardoor haar nakomelingen weinig en kort beschermd worden. Dit kan problemen geven als de bescherming weg valt voordat een vaccinatie mogelijk is. De pups en kittens zullen dan gedurende een periode van een aantal weken onbeschermd zijn. Bovendien is het ook zo dat hoe jonger een dier een infectie opdoet, hoe ernstiger de ziekte zal verlopen. De passieve maternale immuniteit is dus erg belangrijk. Zorg er dus altijd voor dat teven en poezen waarmee gefokt wordt altijd goed gevaccineerd zijn.

Ook de infectiedruk in de omgeving is bepalend op de sterkte en duur van de passieve maternale bescherming die de moeder aan de nakomelingen geeft. In situaties waar veel dieren in een kleine ruimte bij elkaar leven is de infectiedruk bijvoorbeeld verhoogd. In deze situaties kan de bescherming van de moeder veel eerder onvoldoende worden.

 

Behalve vaccinatie hoort bij een goed beleid ook het apart zetten van de moeder en de nakomelingen waardoor de jonge dieren uit een omgeving met een hoge infectiedruk gehaald worden. Andere maatregelen zijn een goede hygiëne en dus het geregeld schoonmaken en ontsmetten van de omgeving. Vaccinatie in een omgeving met een hoge infectiedruk is als enige maatregel absoluut onvoldoende.

De meeste pups krijgen hun eerste prik als ze 6 weken oud zijn. Eventueel kan echter besloten worden om de eerste prik pas op de leeftijd van 9 weken te geven. In die situatie dient echter wel de moeder een goede vaccinatiestatus te hebben en dient de infectiedruk in de omgeving zeer laag te zijn. Bovendien zijn fokkers en asiels wettelijk verplicht hun pups op de leeftijd van 6 weken voor het eerst te vaccineren. Zodoende wordt een eerste vaccinatie van pups op 9 weken zelden uitgevoerd.

Kittens worden meestal op 9 en 12 weken gevaccineerd, maar het exacte moment kan naargelang verschillende factoren per situatie verschillen.

Het immuunsysteem van pups en kittens is tot de leeftijd van 9-12 weken nog niet voldoende ontwikkeld. De eerste vaccinatie van pups op de leeftijd van 6 weken geeft daarom een onvoldoende immuniteitsopbouw.       
    Pups en kittens worden dus tot een bepaalde leeftijd via de verkregen antistoffen van de moeder beschermd. Hoe sterk en hoe lang deze bescherming aanwezig zal blijven kunnen we niet bepalen, we kunnen het alleen aan de hand van de vaccinatiestatus van de moeder en de mogelijke infectiedruk die in de omgeving heerst inschatten. Het exacte moment waarop de bescherming van de moeder compleet verdwenen is kan dus niet bepaald worden. Dus vaccineren we liever iets te vroeg en dus op het moment dat nog enige bescherming van de moeder aanwezig is. Deze bescherming van de moeder kan echter wel de immuniteitsopbouw van de vaccinatie hinderen. De antistoffen van de moeder maken namelijk een gedeelte van het vaccin onschadelijk. Hierdoor geven de eerste vaccinaties wel enige, maar geen volledige bescherming.       
    En dan hebben we tenslotte het vaccin nog. Sommige componenten kunnen na eenmalige injectie voldoende immuniteitsopbouw opwekken. Maar een aantal componenten, zoals lepto, kennelhoest en niesziekte, geven na een eenmalige injectie onvoldoende immuniteit. De vaccinatie dient dus nogmaals herhaald te worden.       
    Soms wordt er wel eens gevraagd waarom er niet wordt gewacht met vaccineren tot een moment waarop de antistoffen van de moeder de vaccinatie niet meer hinderen en het immuunsysteem voldoende ontwikkeld is.       
    Het probleem is echter dat we dit moment niet exact kunnen vaststellen. Doordat te laat vaccineren ernstige gevolgen kan hebben, geven we de eerste inenting daarom liever te vroeg dan te laat. Wordt er namelijk te lang met de eerste vaccinatie gewacht, dan bestaat het risico dat de pup of kitten gedurende een korte of lange periode onbeschermd is tegen infecties en ziekte. Als er bijvoorbeeld pas 3 weken na het wegvallen van de bescherming van de moeder voor het wordt eerst gevaccineerd, dan is de pup of kitten in die periode erg gevoelig om ernstig ziek te worden van een virale infectie.
         De ideale situatie is dus om met vaccinatie te starten wanneer de beschermende antistoffen van de moeder nog aanwezig zijn. De opgebouwde immuniteit is dan nog wel gering, maar er is in dat geval geen sprake van een onbeschermde periode.

De basisvaccinatie van een pup bestaat uit 3 vaccinaties. Deze worden ideaal gezien gegeven op de leeftijd van 6, 9 en 12 weken.

Uw hond vaccineren tegen Parvovirose, Rattenziekte, Hondenziekte, Hepatitis en Kennelhoest is een aanrader. Meestal gebeurt de eerste vaccinatie op 6 weken bij de fokker. U vraagt best naar het vaccinatieboekje (Europees paspoort van de hond), want iedere hond moet voorzien zijn van zo een boekje. Fokkers zijn ook verplicht om iedere pup te identificeren en te registreren (zie 7/ Identificatie en registratie).

 Een goed vaccinatieschema ziet er als volgt uit:

• Op 6 weken: puppyenting tegen Hondenziekte en Parvovirose
• Op 9 weken: inenting tegen Hondeziekte, Parvovirose, Hepatitis, Rattenziekte en Kennelhoest
• Op 12 weken: herhalingsinenting tegen Hondeziekte, Parvovirose, Hepatitis en Rattenziekte.

Wanneer uw hond volwassen is dient  de vaccinatie jaarlijks herhaald te worden. Waarom?
Het niveau van de afweerstoffen neemt af na een jaar. Het afweersysteem van de hond dient op regelmatige basis terug gestimuleerd teworden, zodat uw hond optimaal beschermd blijft. U ontvangt ieder jaar een herinnering voor de vaccinatie van uw huisdier. Naast devaccinatie wordt dan ook een algemeen onderzoek gedaan, want ook voor uw huisdier geldt dat voorkomen beter is dan genezen. De voornaamste ziekten die voorkomen bij de hond:

Een erg besmettelijke en in vele gevallen dodelijke ziekte.
Het virus wordt uitgescheiden in de ontlasting en kan zeer lang in de omgeving overleven.

 

Er zijn verschillende uitingsvormen van een Parvovirus infectie.
Hierbij is de intestinale vorm de belangrijkste: deze vorm veroorzaakt ernstige schade aan het maagdarmkanaal. Enkele dagen nadat een hond een infectie heeft opgelopen, kan hij al ernstige symptomen vertonen. Het begint met sloom en lusteloos worden, en daarna volgen snel bloederig braken en bloederige diarree met een vieze rotte karakteristieke "parvo-geur". De honden zijn ernstig ziek, verzwakken snel en hebben hoge koorts. Door de combinatie van braken, diarree en verlies van eetlust kan snel dehydratatie optreden. Bij bloedonderzoek worden afwijkingen gevonden zoals bloedarmoede en een verminderde hoeveelheid witte bloedcellen. Minder voorkomend is de cardiale vorm: hierbij veroorzaakt een Heftige ontsteking en necrose van de hartspier ademhalingsproblemen en plotse sterfte bij jonge pups (jonger dan 8 weken leeftijd). Oudere honden die deze vorm overleven houden een blijvende beschadiging in de vorm van littekens aan de hartspier over.

Parvovirose is zéér besmettelijk! In tegenstelling tot andere virussen is het parvovirus erg stabiel in de omgeving en resistent tegen warmte, schoonmaakproducten en alcohol. Vanwege zijn stabiliteit wordt het virus gemakkelijk overgebracht via haren of voeten van geïnfecteerde honden, handen, schoenen, kleding en andere objecten. Direct contact tussen honden is dus niet noodzakelijk om het virus te doen verspreiden. Honden die besmet zijn geraakt met het virus en ziek worden zullen  gewoonlijk binnen 3-10 dagen klinische symptomen vertonen

Hondenziekte wordt veroorzaakt door het hondenziektevirus, een virus dat nauw verwant is aan het mazelenvirus bij de mens. Het voornamelijk honden, maar in Europa kunnen ook andere diersoorten ernstig geïnfecteerd raken, zoals vossen en fretten. Het wordt gemakkelijk verspreid door direct contact met geïnfecteerde honden. Het virus is aanwezig in afscheiding uit de neus en ogen. Geïnfecteerde honden die de besmetting overleven kunnen het virus gedurende meerdere maanden blijven uitscheiden. Hoewel het virus buiten de gastheer relatief onstabiel is, kan het op kleding verplaatst worden en zo andere onbeschermde honden besmetten. Besmetting vindt in een groep honden, zoals in kennels en bij hondenshows, zeer snel plaats. Daarom is vaccinatie in dergelijke omstandigheden verplicht. Vaak is de introductie van een besmette pup de oorzaak van een uitbraak van hondenziekte. Ook in asiels kunnen zich uitbraken voordoen.

Het virus kan veel verschillende klinische verschijnselen geven zodat het diagnosticeren bij een jong ziek hondje moeilijk is. De infectie tast in eerste instantie het ademhalingsapparaat aan, maar na verloop van tijd kunnen ook vele andere organen, waaronder de hersenen, worden aangetast. De voornaamste klachten zijn neusvloei, oogvloei, hoesten,  koorts, zenuwsymptomen en soms ook braken en diarree. Deze ziekte kan leiden tot blijvende letsels aan het zenuwstelsel of zelfs sterfte.

Virale hepatitis bij de hond wordt veroorzaakt door het canine adenovirus type 1. In Europa komt het vooral voor bij honden en vossen.

De belangrijkste infectieweg is opname van urine, uitwerpselen of speeksel van geïnfecteerde honden. Herstelde honden kunnen het virus nog tot 6 maanden in hun urine uitscheiden.

Het virus is resistent tegen veel desinfecterende middelen en kan in de omgeving weken tot maanden overleven.

De infectie richt zich eerst op het lymfatische weefsel rond de kop, waarna het de organen treft, in het bijzonder de lever.

De symptomen kunnen variëren van lichte koorts tot een ernstige leverontsteking, waarbij het dier hoge koorts heeft, niets eet en uiteindelijk sterft. Soms kunnen de symptomen van besmettelijke leverziekte lijken op die van Hondenziekte. Vooral bij jonge honden kan de ziekte zeer plots de dood  veroorzaken en in kennels verspreidt het virus zich heel snel. Net als bij hondenziekte is de introductie van een besmette puppy een vaak voorkomende oorzaak van een uitbraak. De ziekte komt echter minder vaak voor in asiels. De symptomen kunnen dus uiteenlopen van zeer licht tot plotseling overlijden.

 Peracute vorm (bij jonge puppy’s)

Puppy’s jonger dan 3 weken kunnen plotseling last van buikpijn krijgen en binnen een paar uur overlijden. De meeste puppies met een betrouwbare afkomst hebben op die leeftijd een tijdelijke bescherming meegekregen via hun moeder. Tegenwoordig is deze vorm daarom zeldzaam.

 Acute vorm (klassiek ziektebeeld)

Dieren die naar de dierenarts worden gebracht in een vroeg stadium van deze vorm, vertonen alleen een duidelijke lusteloosheid. Bijonderzoek blijken ze een hoge koorts en een ontsteking van de amandelen (tonsillitis) te hebben, in combinatie met felrode slijmvliezen en vergrote lymfeklieren onder de kaak. Acute tonsillitis komt niet veel voor bij honden en zal snel verdacht oproepen.

De hond zal daarna braken en/of diarree vertonen, en verliest hij zijn eetlust volledig. Sommige honden krijgen last van fel licht.

De lever is bij palpatie pijnlijk en voelt vergroot aan. Geelzucht en bloedend tandvlees ontstaan wanneer er leverfalen optreedt. Op dit punt worden de slijmvliezen bleek of geel. De hond heeft een ingetrokken buik door de pijn, en in 20% van de gevallen zal de hond sterven. De honden die deze acute vorm overleven zullen volledig herstellen, hoewel het weken kan duren voordat ze weer helemaal de oude zijn.

 Lichte vorm

Sommige honden ontwikkelen alleen een lichte koorts en soms diarree. Ze zullen wel vergrote lymfeklieren hebben.

 Andere varianten

Het klinische beeld is veel minder gevarieerd dan bij hondenziekte. Heel soms komen echter stuiptrekkingen voor, waardoor virale hepatitis bij de diagnose aanzien kan worden voor hondenziekte.

 Het is niet ongewoon dat een hond tegelijkertijd besmet is met hondenziekte en met infectieuze hepatitis.

Een melkglasoog komt veel voor bij honden met virale hepatitis, afhankelijk van de virusstam. Het treedt ongeveer 10 dagen na de eerste verschijnselen op, tijdens de herstelfase. Het wordt veroorzaakt door oedeem van het oogoppervlak, wat het oog een melkachtig voorkomen geeft. Dit zal vanzelf weer verdwijnen. Het kan zijn dat dit het enige verschijnsel is dat de eigenaar opmerkt

Koorts, anorexia, braken en uitdroging zijn symptomen die bij heel wat ziekten voorkomen. Toch is er één ziekte waaraan u specifiek moet denken, zeker als uw hond in contact is gekomen met wilde knaagdieren of met stilstaand water: leptospirose.

Leptospirose is een verzamelnaam van ziektes die veroorzaakt worden door Leptospiren. Dit zijn beweeglijke bacteriën, die in staat zijn om via wondjes van het slijmvlies van de neus en/of de mondholte en zelfs via de huid het lichaam binnen te dringen. Ze vermenigvuldigen zich in het bloed en veroorzaken bloedingen doordat ze de bloedvaten beschadigen via de toxines die ze produceren. Bovendien vervoert het bloed de leptospiraen naar verschillende organen, oa nieren en lever, waar ze zware letsels veroorzaken.

De belangrijkste infectiebron is water dat besmet is geraakt met urine van dieren die geïnfecteerd zijn. Leptospiren kunnen soms gedurende maanden of zelfs jaren worden uitgescheiden door dieren, waarbij de infectie sluimerend in de nieren aanwezig is.

Alle zoogdiersoorten kunnen erdoor aangetast worden, maar blijken niet allemaal even gevoelig te zijn voor leptospirae. Knaagdieren zijn vrij resistent, maar honden zijn  gevoeliger en krijgen vaker een ziekte die snel evolueert en vaak fataal is.

Symptomen:
Elk individu van elke soort reageert anders op een infectie. De symptomen kunnen dan ook variëren van weinig tot ernstig. De infectie uit zich in koorts, anorexia, braken en diarree (soms met bloed). Een nierinfectie veroorzaakt dehydratatie en uremie. Hierdoor begint de hond te braken en krijgt mondulceraties en zenuwstoornissen.

Leptospirae kunnen ook hepatitis (leverontsteking) veroorzaken, met oa een gele verkleuring van de genitale, mond- en oogslijmvliezen (icterus). In zeldzamer gevallen kunnen oogletsels en hersenvliesontsteking optreden. Dieren die de ziekte overwinnen, kunnen de daaropvolgende maanden chronische nierinsufficiëntie of chronische hepatitis krijgen. Leptospirose kan zeer snel verlopen met als symptomen zeer hoge koorts, gele slijmvliezen en donkergele urine.

Diagnose
Aangezien leptospirose dezelfde symptomen heeft als een aantal andere ziekten, moet er gespeurd worden naar leptospirae in bloed of urine om de diagnose te bevestigen. De diagnose kan gesteld worden met behulp van ELISA (een methode om As aan te tonen in het bloed).

Besmettelijke urine
Aangezien leptospirae uitgescheiden worden in de urine, kan elk contact van huid of slijmvliezen met de urine een besmetting veroorzaken. Bovendien overleven leptospirae in stilstaand water (riolen, moerassen, vijvers), dat meestal besmet raakt door de urine van geïnfecteerde dieren. De ziekte kan niet alleen worden opgelopen als de hond in of bij het water komt, het is ook zinvol om een hond die nooit zwemt te beschermen tegen een besmetting met Leptospirose. Reden hiervan is dat uw hond niet enkel kan besmet raken door water dat besmet is met ratten, maar ook door contact met besmette ratten zelf, of met hun uitwerpselen en urine. Jachthonden staan sterk bloot aan besmetting omdat ze vaak in bossen vertoeven en in contact komen met knaagdieren. Dat geldt ook voor alle honden op het platteland. Leptospirose is dus niet alleen gevaarlijk voor uw hond, maar ook voor zijn omgeving en de mens. Het is dus heel belangrijk uw hond te beschermen tegen deze ernstige en op de mens overdraagbare ziekte via een aangepast vaccin.
 
Behandeling
Leptospirae moeten bestreden worden met geschikte antibiotica. Het is belangrijk om de hond een infuus te geven, om nier- en leveraantasting tegen te gaan. Ook een symptomatische behandeling tegen braken en diarree is nodig.

Kennelhoest is een zeer besmettelijke infectie van de voorste luchtwegen van de hond. Het wordt veroorzaakt door een combinatie vanfactoren. De belangrijkste verwekkers zijn de bacterie Bordetella Bronchiseptica en het Paraïnfluenzavirus. Het meest opvallende symptoom van de ziekte is het voortdurend hoesten, luidruchtig de keel schrapen en soms slijmen die naar boven komen. Ook komen eigenaars wel eens de praktijk binnen met de klacht dat de hond braakneigingen heeft. Tegenover het Parainfluenzavirus wordt standaard gevaccineerd. Vaccinatie tegen kennelhoest is verplicht wanneer u met uw hond naar de hondenschool gaat. Het is ook sterk aan te raden aan te raden wanneer uw hond vaak in contact komt met andere honden (pensions, asielen, shows, hondenscholen, speelweides, hondenuitlaatservices,...).

De beste manier om uw hond afdoende te beschermen tegen kennelhoest is het stimuleren van de productie van lokale antistoffen ter hoogte van het slijmvlies van de luchtwegen. Hiertoe wordt het vaccin gegeven via de neus. Dit kan reeds gebeuren vanaf de leeftijd van 3 weken. De neusdruppel (Nobivac BBPi) werkt binnen 3 dagen. Het grote voordeel is dus dat het snel bescherming geeft.

Een virus dat levensgevaarlijk is voor alle warmbloedige dieren (hond, kat,..) en ook de mens! Een hond die besmet is met dit virus kan agressief worden en in vele gevallen bijten. Het virus komt via het speeksel in een wondje in het lichaam terecht, en verspreidt zich langs de zenuwbanen naar de hersenen, waardoor het dier sterft binnen de 6 maanden. Verspreiding kan ook gebeuren via speeksel (bijtwonden) van vossen, dassen en andere dieren.
In België is ten zuiden van Samber en Maas en op campings vaccinatie tegen Rabiës wettelijk verplicht. Dit geldt ook voor het buitenland. Soms worden door bepaalde landen (o.a. GB, Zweden,…) nog extra verplichtingen ingesteld (zie 8/reizen met dieren). Rabiësvaccinatie is dus verplicht indien u naar de Ardennen of het buitenland gaat. Het bewijs van vaccinatie wordt in het Europees paspoort genoteerd door de dierenarts en is, voor de meeste Europese landen, 3 jaar geldig. De eerste vaccinatie moet minstens één maand voor vertrek gegeven worden (behalve voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Scandinavië, voor het juiste vaccinatietijdstip voor deze landen: zie 8/reizen met uw huisdier).

Vaccinatieschema voor de kat:

9 weken: vaccinatie tegen kattenziekte, niesziekte (en eventueel FeLV)
12 weken: herhalingsvaccinatie kattenziekte, niesziekte (en eventueel FeLV)

Er kan ook, indien gewenst, gevaccineerd worden tegen hondsdolheid (= rabiës). Dit is verplicht wanneer de kat meegaat naar het buitenland of naar een gebied ten zuiden van Samber en Maas (Ardennen).

Andere vaccinaties bij de kat zijn de FIP-enting (tegen besmettelijke buikvliesontsteking) en de FeLV-enting (tegen kattenleucose). Deze vaccins worden weinig gebruikt, en zijn ook alleen in bijzondere gevallen nuttig.

Kittens worden meestal op de leeftijd van 9 en 12 weken gevaccineerd, maar afhankelijk van een aantal factoren kunnen de vaccinaties ook naar een eerder of later moment worden verplaatst.     
Daarna dient er jaarlijks terug gevaccineerd te worden om de opgebouwde immuniteit te behouden. Hiervoor wordt u jaarlijks uitgenodigddoor d.m.v. een brief.

De voornaamste ziekten die voorkomen bij de kat:

Niesziekte is een veel voorkomende aandoening bij katten, die we helaas nog regelmatig zien.

De voornaamste symptomen zijn niezen, neusvloei, koorts, wondjes in de mond, conjunctivitis (bindvliesontsteking van de ogen), tranende ogen en een slecht terugtrekkend knipvlies, minder of niet eten en drinken en soms ook diarree.

Vooral op plaatsen waar veel katten bij elkaar zitten in een kleine ruimte, zoals cattery's, asiels of dierenpensions, kunnen epidemieën uitbreken.

Niesziekte wordt veroorzaakt door een complex van virussen en bacteriën.

Het Calici- en het Herpesvirus zijn de bekendste verwekkers. De jaarlijkse vaccinatie tegen niesziekte beschermt voor ongeveer 80% tegen deze virussen. Helaas geeft de vaccinatie dus geen 100% bescherming.

Andere ziekteverwekkers van niesziekte zijn de bacteriën Chlamydia Felis en Bordetella Bronchiseptica.

Met name van de laatste is het belang voorheen onderschat. Recent onderzoek heeft immers aangetoond dat Bordetella Bronchiseptica wel degelijk een belangrijke primaire ziekteverwekker is. Tijdens dit onderzoek is ook aangetoond dat deze bacterie overdraagbaar is van de kat naar de hond (kennelhoest) en omgekeerd!

Bij kittens kan de infectie tot een acute en fatale longontsteking leiden.

Het is moeilijk om door klinische verschijnselen onderscheid te maken tussen de verwekkers van de niesziekte.

Af en toe krijgen katten die gevaccineerd zijn dus toch symptomen van niesziekte. De katten hebben een snotneus, zijn sloom, koortsig en hebben waterige ogen. Het beeld van een voorste luchtweginfectie is duidelijk aanwezig en in bepaalde gevallen kan er zelfs een longontsteking ontstaan die in enkele gevallen dodelijk kan zijn, met name bij kittens. Een harde hoest kan in sommige gevallen opvallend zijn.
In bovenstaand geval kan er sprake zijn van een Bordetella-infectie. Bij katten die niet tegen virussen zijn ingeënt en een combinatie-infectie
van virussen en bacteriën krijgen, zullen de symptomen zeer ernstig zijn.
De Bordetella-bacterie wordt overgebracht van kat op kat via rechtstreeks contact en door inhalatie via de neus. Vooral waar veel katten bij elkaar (pension) zijn en in tijden van stress, zoals de periode rond de geboorte van kittens of tijdens een verblijf in een pension, kunnen de katten besmet raken.
De behandeling van een Bordetella-infectie bij de kat is betrekkelijk eenvoudig. Een therapie met antibiotica zal er voor zorgen, dat de infectie snel verdwenen is. Tegenwoordig bestaat er voor de kat een goede vaccinatie tegen Bordetella-bacterie (Nobivac Bb). De katten worden geënt door een zeer kleine dosis (0.2ml) suspensie in de neus te druppelen. De bescherming is het beste op de plaats waar de infectie plaatsvindt, namelijk het slijmvlies van de neus zelf. De katten worden besmet met een verzwakte stam en na 72 uur is er al bescherming aanwezig.
Kittens mogen al vanaf een leeftijd van 4 weken mogen kittens gevaccineerd worden. De immuniteit houdt een jaar aan. Dit vaccin mag gecombineerd worden met de jaarlijkse vaccinatie. De kat krijgt dan de meest uitgebreide bescherming tegen niesziekte, die op dit moment mogelijk is.

De vraag is nu of iedere kat tegen Bordetella gevaccineerd moet worden. De huidige mening is, dat het verstandig is in ieder geval de risicogroepen te vaccineren:
• Katten die naar een pension gaan
• Katten in catteries of in een asiel
• Katten die kattenshows bezoeken
• Gezinnen waar er naast de kat(ten) ook een hond aanwezig is

De behandeling van niesziekte bestaat uit het onderdrukken van bijkomende infecties, uitdroging bestrijden en eventueel dwangvoedering.
Dit betekent antibiotica (zowel algemeen als in oogzalf,...) en indien nodig een infuus geven.
De eerste vaccinatie geeft door een onvoldoende ontwikkeld afweersysteem en de nog eventuele aanwezige antistoffen van de moeder geen sterke en langdurige bescherming. Bovendien geeft een enkele vaccinatie tegen niesziekte in alle gevallen een onvolledige bescherming.
Daarom moet de eerste vaccinatie na 3 weken herhaald worden.

Kattenziekte is een zeer ernstige infectueuze aandoening die vooral gekenmerkt wordt door ernstige maag- en darmsymptomen.

Typisch ziet men dus braken en diarree, samen met verlies van eetlust, koorts en dehydratatie.

Panleucopenie betekent letterlijk "tekort aan witte  bloedcellen". Het virus tast dus de immuniteit sterk aan.

Kittens kunnen ook besmet worden in de baarmoeder. Dit kan leiden tot abortus of tot zenuwsymptomen bij de geboorte.

Het virus is erg besmettelijk en kan zeer lang in de omgeving overleven.

Van zodra u weet dat uw poes kattenziekte heeft en u heeft nog andere poezen, moet u de zieke poes onmiddellijk in een aparte ruimte afzonderen. U moet alle ruimtes waar de poes geweest is ontsmetten met een virusdodend middel (bv. javel). Kattenziekte is extreem besmettelijk en kan ook via de mens overgaan op andere katten d.w.z. dat als u een zieke kat aait en vervolgens een gezonde kat, deze laatste besmet kan raken. Zorg er dus voor dat u uw handen voldoende ontsmet vooraleer u een andere kat aanraakt. Ook via de schoenen kan u het virus overdragen. Best is dus om beschermde kledij en schoenen te dragen als u een zieke kat verzorgt en deze te verwijderen als u naar een andere ruimte gaat.

Zieke katten blijven nog 2 weken besmettelijk voor andere katten nadat bij hen de symptomen verdwenen zijn! Houd hier rekening mee als u meerdere katten heeft. Indien uw kat of kitten gestorven is door kattenziekte, zet dan niet onmiddellijk een andere niet gevaccineerde kat in dezelfde ruimte. Want zo riskeert u ook de tweede kat op korte tijd te verliezen. U dient eerst de ruimte te verluchten en degelijk te ontsmetten evenals alle meubels, speeltjes, dekens  ... waarmee de zieke kat in aanraking is gekomen. Best is de nieuwe kat eerst in te enten en pas 2 weken nadien in dezelfde ruimte te laten. Zo is ze voldoende beschermd tegen mogelijke restanten van het virus. Houd er rekening mee dat een kitten na 3 weken opnieuw ingeënt moet worden vooraleer ze voldoende weerstand heeft tegen het virus.

De behandeling bestaat uit antibiotica om de verminderde afweer tegen te gaan, infuus en dwangvoederen.

De prognose is sterk gereserveerd en veel katten sterven dan ook aan de aandoening.

Preventie gebeurt door vaccinatie.

FeLV is een virusziekte met een dodelijke afloop. Het virus kan leukemie (tumoren van de witte bloedcellen) veroorzaken, maar dit is niet de ziekte die het meeste optreedt na infectie. Het virus tast namelijk het immuunsysteem van de kat aan (immunosuppressie) waardoor ze gevoeliger zijn voor infecties.

Het ziektebeeld van FeLV wordt daardoor vooral veroorzaakt door secundaire infecties.

Hoe kan een kat besmet raken met het virus?

Na infectie vermeerdert het virus zich in de tonsillen in de keel en verspreidt zich naar het beenmerg, lymfevaten en lymfeknopen. Het virus komt in het bloed en vanaf dan is het aan te tonen door middel van een bloedtest. Als de speekselklier wordt geïnfecteerd dan zal de kat virus gaan uitscheiden en vanaf nu is de kat besmettelijk voor andere katten!.

Vooral speeksel bevat dus hoge concentraties virus en dit is ook de voornaamste manier van overdracht van de ene kat op de andere. FeLV wordt voornamelijk door langdurig sociaal contact met andere katten overgedragen. Denk bijvoorbeeld aan uit elkaars bakje eten of elkaar wassen, want via speeksel, bloed, urine en ontlasting kan het virus overgebracht worden. Een drachtige poes kan het virus via de placenta overbrengen op haar kittens (en later via de moedermelk). Dit kan leiden tot abortus of geboorteafwijkingen maar er kunnen ook gezonde kittens geboren worden die virusdrager blijven.

FeLV wordt dus voornamelijk door langdurig sociaal contact overgedragen, maar ook door  bijtwondes bij vechten. Dit in tegenstelling tot FIV (kattenaids) waarbij de voornaamste overdracht veel meer geschiedt door een directe bijtwond met vechten en in veel mindere mate door langdurig sociaal contact. Katten die in een groep samenleven en onderling niet vechten hebben dus ook kans op besmetting als er een kat met FeLV in de groep zit. Niet alle katten die besmet raken met het virus worden ziek. Gezonde, sterke katten met een goed immuunsysteem kunnen het virus bestrijden en overwinnen. Deze katten scheiden geen virus uit en worden er niet ziek van. Katten die het virus niet kunnen bestrijden , bijvoorbeeld door een vermindere weerstand, zullen het virus gaan uitscheiden. Zij zijn zelf nog niet ziek maar al wel besmettelijk voor andere katten. Ze worden daarom ook wel "dragers" genoemd. In de loop van enkele maanden tot jaren (3 jaar) zullen zij symptomen gaan vertonen.
Er bestaat een leeftijdsresistentie: Bij jonge kittens zal 70-100% ziek worden, bij kittens van 8-12 weken oud wordt 30-50% ziek en bij volwassen katten wordt 10-20% ziek.

De meest belangrijke symptomen zijn secundaire gevolgen van de infectie door een verminderde afweer, waaronder FIP, toxoplasmose, bacteriële ontstekingen, tandvleesontstekingen, abcessen, huidontstekingen en oogonstekingen (uveitis).

Verder kan men volgende symptomen zien:

Tumoren (vnl.. maligne lymfoom maar ook leukemie, tumoren in lever, nieren, buikvlies of milt kunnen ontstaan), bloedarmoede doordat het beenmerg niet goed meer functioneert, vermageren, dyspnee, koorts, lusteloosheid, loomheid, zwelling van lymfeknopen, slecht eten, voortplantingsproblemen (abortus, sterfte van pasgeboren kittens, onvruchtbaarheid), verlammingsverschijnselen

Het is afhankelijk van waar de tumoren zich bevinden en welke organen aangetast zijn, welke klachten de kat krijgt.

FeLV is te diagnosticeren via een eenvoudige sneltest op bloed. Er wordt wat bloed afgenomen van de kat en binnen enkele minuten is de uitslag bekend, u kunt op de uitslag wachten.

FeLV diagnostiek wordt uitgevoerd in het kader van preventie bij katten waar mee gefokt wordt (het opsporen van katten die wel virus uitscheiden maar zelf nog niet ziek zijn) en als katten ziekteverschijnselen hebben die FeLV doen vermoeden. De test is zeer betrouwbaar als er een negatieve uitslag uitkomt. Bij een positieve uitslag zal het bloed echter ook nog naar een gespecialiseerd laboratorium gestuurd moeten worden ter bevestiging. Dit moet omdat er vals-positieve uitslagen kunnen voorkomen.

Helaas is FeLV niet te genezen. De secundaire bacteriële ontstekingen dienen met antibiotica bestreden te worden. Experimenteel wordt gebruik gemaakt van Interferon van Virbac. Dit is een dure behandeling maar het lijkt succes te hebben. Het is echter nog onduidelijk is of dit ook DE therapie zal worden voor katten met FeLV.

Katten die daadwerkelijk ziek zijn zullen helaas overlijden. (50% is overleden binnen 1 jaar, 90% binnen 3 jaar) Hoelang de kat nog kan leven met zijn ziekte is afhankelijk van de symptomen en zijn weerstand. De kat dient in ieder geval apart gehouden te worden van andere katten in verband met het besmetten van andere katten. Dit betekent dat de kat ook niet naar buiten mag, omdat hij dan andere katten kan besmetten.

Preventie:

De enige manier om FeLV te voorkomen is om de kat binnen te houden en niet in contact te laten komen met andere katten. Als u een FeLV vrije cattery heeft neem dan alleen nieuwe katten in huis die uit een veilige omgeving komen waar regelmatig getest wordt op FeLV.

Er is een vaccinatie beschikbaar tegen FeLV maar deze is zeker niet 100% betrouwbaar. Ook een gevaccineerde kat kan de ziekte nog krijgen.
Alleen in risicogebieden (gebieden met een hoge zwerfkattenpopulatie,...) of als het bekend is dat er buiten een met FeLV besmette kat rondloopt, adviseren we u om uw kat te laten vaccineren tegen FeLV.
Het bestrijden van FeLV berust vooral op het opsporen van dragers die ongemerkt andere katten besmetten. Dit dient vooral in grotere groepen katten regelmatig gedaan te worden, bijvoorbeeld bij cattery's,  gezinnen met meerdere kattenmulticat en dierenasiels. Zeker voordat een poes ter dekking aangeboden wordt moet er een bewijs zijn dat allebei de katten de ziekte niet bij zich dragen.

Wormen

Honden en katten kunnen zich besmetten met rondwormen (haakwormen, spoelwormen en zweepwormen) en lintwormen.

Soorten wormen:

RONDWORMEN:
Spoelwormen:
Bemetting met de spoelworm gebeurt door orale opname van eieren uit de omgeving. Larven uit oraal opgenomen eieren migreren vanuit de darm naar de lever, vandaar naar het hart, dan naar de longen en uiteindelijk naar de luchtpijp. Deze worden dan opgehoest en ingeslikt om dan in de dunne darm volwassen te worden en eitjes te produceren.

Zowel pups als kittens kunnen via de moedermelk reeds met  spoelwormen besmet raken. Pups kunnen zelfs al in de baarmoeder besmet worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel kittens en pups al op zeer jonge leeftijd besmet zijn met wormen. Omdat een worminfectie de ontwikkeling van een kitten/pup nadelig kan beïnvloeden is het van belang deze goed te ontwormen. Over het algemeen hebben volwassen katten/honden zelf weinig last van een worminfectie. Zij vormen echter wel een besmettingsbron voor andere katten en honden en ook voor uzelf!

Zweepwormen:

Opgelikte wormeieren ontwikkelen in de dikke darm tot volwassen wormen. Massale besmetting kan bloederige diarree veroorzaken.

Haakwormen:

Al naargelang de soort haakworm is er orale of percutane besmetting. De ernst van de symptomen varieert volgens de verschillende soorten.

LINTWORMEN:
* Dipilidium Caninum:
De hond of kat besmet zich door het inslikken van een besmette vlo of luis.
* Taeniae Familie
Hier gebeurt de besmetting door een andere tussengastheer nl. muis, rat, konijn, mol, ….

Een wormbesmetting kan men herkennen aan de volgende symptomen: diarree, braken, dik buikje bij jonge dieren, in de flank bijten, doffevacht, zichtbaar blijven van het derde ooglid bij katten, met de poep over de grond schuiven (kan ook wijzen op overvulde of ontstoken anaalklieren),“rijstkorrels” thv. de anus (lintwormbesmetting), groeiachterstand, vermageren,…

Gevaar voor de mens:
Moesten er spoelwormeieren in darm van de mens terechtkomen dan zullen de larven die zich hieruit ontwikkelen proberen dezelfde weg als bij de hond af te leggen. Ze kunnen echter hun weg kwijtraken en op plaatsen in het lichaan terechtkomen waar ze veel schade berokkenen, bijvoorbeeld in het oog : OLM (Oculaire Larva Migrans). De haakworm kan CLM (Cutane Larva Migrans) veroorzaken, dit door contact van de larven met de blote huid. Zowel de haakworm als de spoelworm kunnen VLM (Viscerale Larva Migrans) veroorzaken, door toevallige opname (vb. niet gewassen fruit of groenten, contact met besmette grond) van de eieren of larven. De larven reizen door de lichaamsweefsels, waardoor ze bijna in ieder orgaan kunnen terechtkomen. Er hebben zich al dodelijke gevallen voorgedaan als larven van rondwormen naar de hersenen trekken. Lintwormen kunnen hydatide ziektes veroorzaken bij de mens.

Dit zijn allemaal uitzonderlijke gevallen maar tonen nogmaals het belang aan van een goede ontworming na een goed advies bij de dierenarts.

Ontwormingsschema:

*Algemeen:

-volwassen katten en honden: best elk seizoen ontwormen (dus 4 keer per jaar).

-pups en kittens: tot een leeftijd van 8 weken dient de pup / kitten om de 2 weken ontwormd te worden. Daarna krijgt het dier nog
maandelijks ontworming tot hij/zij een half jaar oud is. Vanaf dan is het voldoende om het dier 4 keer per jaar te ontwormen.

*Meer specifiek naargelang levenswijze hond/kat/mens: Milbemax schema invoegen !!

*Vlooien en teken

Vlooien

Het is belangrijk om uw hond of kat regelmatig te ontvlooien.

In België is de kattenvlo (Ctenocephalides felis) de meest voorkomende soort. De hondenvlo (Ctenocephalides canis) wordt nog zelden gezien. Het is dus voornamelijk de kattevlo die uw hond, kat en uzelf tot last is. U kan dus zelf ook last hebben van vlooienbeten! Toch kan een vlo niet overleven op mensen. Ze heeft altijd een kat of hond nodig om zich te kunnen voortplanten.

De cyclus van de vlo

Vlooien zijn ectoparasieten. Dit wil zeggen dat een vlo een gastheer nodig heeft om zich voort te planten en te overleven. Een volwassen vlo zuigt bloed om zich te kunnen voortplanten dwz dat zij eerst een bloedmaaltijd moet gehad hebben vooraleer ze eitjes kan leggen.

CYCLUS:

Een vrouwtje legt tijdens haar leven ongeveer 2000 eitjes. Eén vrouwelijke vlo kan per dag tot 50 eitjes leggen. Deze eitjes blijven geringe tijd op de vacht kleven. Vrij snel vallen de eitjes van uw huisdier af en komen ze overal waar het dier rondloopt terecht. Rust- en ligplaatsen van het dier zijn dus de plaatsen bij uitstek om eitjes terug te vinden. Binnen de twee tot vijf dagen komen de eitjes uit. Deze larven kruipen naar de donkerste plekjes. Daar leven ze van "vlooienafval" (overblijfselen van het gedeeltelijk al verteerde bloed van uw huisdier, de zgn 'vlooienpoepjes') en ander organisch materiaal. De larven groeien, vervellen twee keer en spinnen vervolgens een cocon waarin ze uit zullen groeien tot poppen. Onvolgroeide vlooien ontwikkelen zich in de cocon tot volgroeide vlooien in ongeveer 8 tot 9 dagen. Deze volgroeide vlooien wachten inhun cocon op uw huisdier of op uzelf om uit te komen. Dit kan variëren van enkele dagen tot soms bijna een jaar. In deze fase is de vlo zeer moeilijk te bestrijden. Volgroeide vlooien zijn vanuit hun cocon, gevoelig voor warmte, trillingen en uitgeademde CO2. Ze weten hierdoor wanneer een potentiële gastheer in de buurt is. De volgroeide vlo verlaat snel zijn cocon, springt op een gastheer, zoekt een andere vlo om mee te paren en zo begint de gehele levenscyclus weer opnieuw.

Deze hele cyclus neemt gemiddeld zo'n 6 weken in beslag.

Een vlo kan tot 130 dagen overleven op zijn gastheer, afhankelijk van hoe goed de omgevingsfactoren zijn. Als alle omgevingsfactoren gunstig zijn (hoge luchtvochtigheid en hoge temperaturen) is de cyclus korter (ongeveer 2 a 3 weken).

In tegenstelling tot wat veel mensen denken speelt een groot deel van de levenscyclus van de vlo zich dus af buiten het huisdier. Alleen de volwassen vlooien vinden we terug op de hond of kat. De eitjes, larven en poppen bevinden zich in de omgeving. Het gevaar zit dus in de duizenden eitjes en larven die zich schuilhouden in het tapijt en tussen de plinten. Slechts een heel klein deel van de cyclus bestaat uit volwassen vlooien. Verreweg het grootste deel bestaat uit de eitjes en de larven die in de omgeving zitten. Hieruit blijkt dat alleen de bestrijding van de volwassen vlo onvoldoende is en dat de behandeling van de omgeving een essentiële rol speelt bij de vlooienbestrijding.

Er zijn meerdere redenen waarom het verstandig is om vlooien bij uw huisdier te bestrijden:

Jeuk

Vlooien veroorzaken behoorlijk veel overlast bij de hond en kat. Hun beten zijn pijnlijk en je ziet een hond of kat dan ook vaak opspringen als hij of zij gebeten wordt. Met de beet spuit de vlo een klein beetje speeksel in de huid om te zorgen dat het bloed niet stolt. Dit geeft jeuk en irritatie waardoor de hond en kat gaan krabben en bijten. Vaak zien we de uitwerpselen van vlooien liggen op de plaatsen waar de hond of kat vaak ligt. Je herkent ze als kleine zwarte    korrels en worden vaak verward met gewone aarde (echter, als je ze op een papiertje met water legt, worden ze bruin, dit is eigenlijk verteerd bloed). Volwassen vlooien zie je het vaakst kruipen ter hoogte van de staartbasis of in de liezen, maar dikwijls zie je ze ook niet, omdat ze zo snel zijn.

Wormen

Vlooien kunnen eitjes van de lintworm bij zich dragen. Als een hond of kat een besmette vlo opeet kan daaruit een volwassen lintworm ontstaan. Ook kinderen kunnen zich op deze manier met een lintworm besmetten.

Vlooienallergie

Sommige dieren zijn gevoelig voor het speeksel van de vlo. Na een aantal beten wordt een bepaalde grens overschreden waardoor een allergische reactie optreedt. Ook oudere beten worden dan geactiveerd waardoor het dier enorm veel jeuk krijgt. Ze krabben en bijten zichzelf tot bloedens toe. Eén beet per week is dan al voldoende om dit proces in stand te houden.

Zoals hierboven al vermeld kunnen vlooienpoppen tot anderhalf jaar lang in de omgeving overleven en kunnen dus elk moment uitkomen, ook in de winter aangezien onze huizen aangenaam warm zijn het ganse jaar door.  Het is dus sterk aan te raden om heel het jaar door te ontvlooien, dus ook in de winter aangezien vlooien dan makkelijk binnenshuis overleven! Ook honden en/of katten die nooit buiten komen kunnen vlooien krijgen! Je kan altijd een vlo, eitje of pop in huis brengen via schoenen of ander materiaal.

Er zijn heel veel verschillende producten op de markt tegen vlooien. Eerst en vooral is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen het behandelen van een vlooienprobleem of het preventief behandelen van onze huisdieren: Voor de omgeving bestaan er een aantal producten die de vlooien, de eitjes en de larven kunnen aanpakken. Dit maakt al een heel verschil, maar jammer genoeg is er weinig dat de poppen kan vernietigen. De poppen kunnen enkel vernietigd worden door extreme hitte (branden/ stomen) of vriestemperaturen. Als je dekentjes wilt wassen moet dit minimaal op 60 graden zijn.

Voor het dier zelf bestaan er meerdere goede producten om vlooien te bestrijden. Een snelle werking is belangrijk, omdat hoe sneller de vlooien doodgaan, hoe minder eitjes ze kunnen leggen. Daardoor komen er veel minder eitjes in de omgeving terecht. Ook een goede afwerende werking is belangrijk,deze producten zorgen ervoor dat de vlo niet kan bijten. Dit is vooral belangrijk voor de dieren die allergisch reageren op het speeksel van de vlo. U kan werken met maandelijkse pipetjes in de nek of een langwerkende vlooienband. De meeste pipetten/banden werken ook tegen teken.

Teken

Teken zijn spinachtige ectoparasieten (8 potig) die we vooral in struiken en grassen vinden. De hoofdgastheer van de teek is het hert, de ree, de egel of het konijn. De hond en kat kunnen fungeren als tussengastheer. Wanneer een (tussen)gastheer langs een struik wandelt waar de teek zich verscholen houdt, laat de teek zich op de vacht vallen en hecht zich vast in de huid van het dier. Daar blijft de teek enkele dagen vastzitten om bloed te zuigen. Eenmaal de teek voldaan is, valt deze gewoon terug af het dier. Teken komen tegenwoordig overal in België voor, vooral in bossen waar veel wild zit. Maar ook in onze tuinen, parken en langs de graskant kunnen er zich teken schuil houden. Een tekenbeet kan gevaarlijk zijn. Ze is niet pijnlijk. Vaak wordt een dier of mens onopgemerkt gebeten. De plaats waar de teek zit kan dan ontsteken. Alhoewel de teek zelf dus irritatie kan veroorzaken op de plek waar hij zich vasthecht, zijn vooral de ziektes die hij kan overbrengen van belang, zoals de ziekte van Lyme, Babesiose en Ehrlichiose.

Controleer daarom uw huisdier dagelijks op teken en verwijder ze direct. De beste manier om een teek te verwijderen is met gepast materiaal zoals een tekentang of tekenpincet. Het is niet nodig om de teek vooraf te ‘verdoven’ met alchohol, in tegendeel ,dit zorgt ervoor dat de teek zijn maaginhoud nog leegt op de plaats waar hij vastgehecht zit. Belangrijk is ook om niet trekken aan de teek maar deze langzaam los te draaien zoals een schroef. Zo heb je het minste kans dat er stukjes teek blijven zitten. Je verwijdert het best de teek binnen de 24u nadat hij zich heeft vastgehecht, omdat hij dan nog geen ziektes kan overbrengen.

De boodschap is dus jezelf en je huisdier te controleren na elke wandeling. Gelukkig zijn er goede producten op de markt die voorkomen dat een teek zich kan vasthechten op de huid van je huisdier. Er bestaan pipetjes en halsbanden. Voor het juiste product vraag je best advies omdat niet alle producten geschikt zijn voor katten.